info@wetenschapsnet.com

Autisme Spectrum Stoornis (ASS)

Wetenschap is voor iedereen

Autisme Spectrum Stoornis (ASS)

Wat is autisme?

Autisme of autismespectrumstoornis (ASS) verwijst naar een breed scala aan aandoeningen die worden gekenmerkt door uitdagingen met sociale vaardigheden, repetitief gedrag, over- of onder gevoeligheid voor zintuigelijke prikkels, spraak en non-verbale communicatie.

We weten dat er niet één soort autisme is, maar veel subtypen, die het meest worden beïnvloed door een combinatie van genetische en omgevingsfactoren. Omdat autisme een spectrumstoornis is, heeft elk persoon met autisme zijn eigen sterke punten en uitdagingen. De manieren waarop mensen met autisme leren, denken en problemen oplossen, kunnen variëren van hoogbegaafdheid tot ernstig onderontwikkeld. Sommige mensen met ASS hebben mogelijk aanzienlijke ondersteuning nodig in hun dagelijks leven, terwijl anderen mogelijk minder ondersteuning nodig hebben en in sommige gevallen geheel zelfstandig wonen.

Verschillende factoren kunnen de ontwikkeling van autisme beïnvloeden, en het gaat vaak gepaard met sensorische gevoeligheden en medische problemen zoals gastro-intestinale (GI) stoornissen, toevallen of slaapstoornissen, evenals psychische problemen zoals angst, depressie en aandachtsproblemen.

Indicatoren van autisme verschijnen meestal op de leeftijd van 2 of 3 jaar. Sommige bijbehorende ontwikkelingsvertragingen kunnen zelfs eerder optreden, en vaak kan de diagnose al na 18 maanden worden gesteld. Onderzoek toont aan dat vroege interventie op latere leeftijd tot positieve resultaten leidt voor mensen met autisme.

Autisme herkennen

Er bestaat geen biomarker voor autisme, zoals een bloed- of DNA-test. De diagnose wordt gesteld door een psychiater of een gz-psycholoog aan de hand van een aantal gedragskenmerken. Iedere persoon met autisme is anders.

Kenmerken die vaak in verband worden gebracht met autisme zijn:

  • Problemen op sociaal gebied/minder goed ontwikkelde sociale intuïtie
  • Moeite met (onverwachte) verandering
  • Dingen heel letterlijk nemen
  • Eerlijk en recht door zee
  • Uitstekende detailwaarneming
  • Goed in analyseren
  • Niet graag over koetjes en kalfjes praten
  • Goed in het herkennen van patronen
  • Moeite met het bewaren van overzicht
  • Loyaal
  • Buiten vaste kaders kunnen denken
  • Perfectionistisch
  • (Ogenschijnlijk) geen interesse voor anderen tonen
  • Nauwkeurig
  • Over- of juist ongevoelig voor zintuiglijke prikkels
  • Heel intensief bezig zijn met een beperkt aantal onderwerpen
  • Hyperfocus
  • Talent voor specialisatie
  • Voorkeur voor één op één-contact
  • Tragere informatieverwerking

Een aantal van de bovengenoemde kenmerken hoeven dus niet aanwezig te zijn. In het geval van hoogbegaafde mensen met ASS kan het bijvoorbeeld juist zijn dat de informatieverwerking vele malen sneller is dan gemiddeld. Dit kan dan ook weer leiden tot overprikkeling.

Vaak worden de kenmerken onderverdeeld in categorieën. Hieronder staat een samenvatting.

Uitdagingen op het gebied van sociale communicatie:

Kinderen en volwassenen met autisme hebben moeite met verbale en non-verbale communicatie. Ze begrijpen of gebruiken bijvoorbeeld het volgende niet:

  • Gesproken taal (ongeveer een derde van de mensen met autisme is non-verbaal)
  • Gebaren
  • Oogcontact
  • Gezichtsuitdrukkingen
  • Stemgebruik (boos, serieus, sarcastisch)
  • Uitdrukkingen die niet bedoeld zijn om letterlijk genomen te worden

Bijkomende sociale uitdagingen kunnen zijn:

  • Emoties en intenties herkennen bij anderen
  • Eigen emoties herkennen
  • Emoties uitdrukken
  • Emotionele troost zoeken bij anderen
  • Zich overweldigd voelen in sociale situaties
  • Weten wanneer de beurt is om te spreken in een gesprek
  • Persoonlijke ruimte meten (geschikte afstand tussen mensen)

Beperkt en repetitief gedrag:

Beperkt en repetitief gedrag varieert sterk binnen het autismespectrum.

  • Herhaalde lichaamsbewegingen (bijv. Schommelen, klapperen, draaien, heen en weer rennen)
  • Herhaalde bewegingen met objecten
  • Staren naar lichten of draaiende objecten
  • Ritualistisch gedrag (bijv. Objecten uitlijnen, objecten herhaaldelijk aanraken in een bepaalde volgorde)
  • Weinig of extreme interesses in specifieke onderwerpen
  • Noodzaak van onveranderlijke routine/weerstand tegen verandering (bijv. Hetzelfde dagschema, maaltijdmenu, kleding, route naar school)

Autismekenmerken komen bij alle mensen in meer of mindere mate voor. Zo vinden veel mensen het prettig om vaste routines aan te houden of om zich langere tijd intensief met één onderwerp bezig te houden. Ook problemen op sociaal gebied zijn veel mensen niet vreemd. Een diagnose autisme krijg je pas als deze kenmerken zorgen voor serieuze lijdensdruk of voor grote problemen op levensgebieden als werk, vrije tijd en relaties.

Hoe ontstaat autisme?

Autisme is in hoge mate erfelijk, zo blijkt uit meerdere wetenschappelijke onderzoeken. Een recent, grootschalig onderzoek in vijf verschillende landen laat zien dat autisme voor naar schatting 80% erfelijk is bepaald. Eerdere onderzoeken, onder meer onder tweelingen, lieten vergelijkbare percentages zien.

Bij het ontstaan ​​van autisme zijn waarschijnlijk honderden verschillende genen betrokken.

Omgevingsfactoren

Ook omgevingsfactoren kunnen een rol spelen bij autisme. Aangenomen wordt dat het hierbij gaat om een ​​interactie tussen genetische- en omgevingsfactoren. Met andere woorden: iemand kan een genetische aanleg hebben voor autisme, maar óf hij of zij ook daadwerkelijk autisme ontwikkelt hangt mogelijk onder meer af van betrokkenheden uit de omgeving. Welke invloeden dat zijn en welke rol ze precies op welk moment in de ontwikkeling spelen, daarover is nog maar weinig bekend. Meer onderzoek is nodig.

Leeftijd vader

Voor een aantal omgevingsfactoren bestaan ​​inmiddels wel belangrijke aanwijzingen. Dat zijn onder meer: ​​vroeggeboorte, de leeftijd van de vader op het moment van conceptie, diabetes bij de moeder, een (fors) verhoogde activiteit van het immuunsysteem van de moeder, bepaalde giftige stoffen (waaronder uitlaatgassen en pesticiden), een tekort aan vitamine D bij de moeder en het slikken van Valproate (een geneesmiddel voor de behandeling van epileptische aanvallen) door de moeder tijdens de zwangerschap.

Het gaat bij al deze factoren om een ​​gevonden statistisch verband. Het is verder niet bekend of er een causaal verband is. Neem bijvoorbeeld de leeftijd van de vader. Uit onderzoek blijkt dat oudere vaders een verhoogde kans hebben op een zoon of dochter met autisme. De vraag is: komt dit door hun leeftijd? Of beginnen vaders met relatief veel ‘autisme-genen’ mogelijk relatief vaak later aan kinderen?

De novo-mutatie

Autisme kan ook ‘spontaan’ ontstaan ​​in het DNA van een soort, zonder dat de genen van de ouders hierbij betrokken zijn. Dat heet de novo-mutatie.

Behandeling

Omdat de oorzaken van ASS nog niet bekend zijn, is het (nog) niet mogelijk deze te verhelpen. ASS is dus nog niet te genezen en nog maar beperkt te behandelen. De behandeling richt zich meestal op twee aspecten. Aan de ene kant op het aanleren van vaardigheden om zo goed mogelijk met de beperkingen om te gaan. Aan de andere kant is de behandeling gericht op het aanpassen van de omgeving. Denk hierbij aan aanpassingen op school of het werk, zoals een vaste werkplek of een vaste dagindeling.

Bronnen: Autismspeaks.org, autisme.nl, autismedigitaal.nl

Deel dit bericht:

Tags: , , , , , , , , ,

nl_NLDutch
en_GBEnglish nl_NLDutch